De quenda is een gravend buideldier dat met zijn zoektocht naar voedsel ook de bodem van West-Australische bossen bewerkt. Juist die rol komt mogelijk onder druk te staan door Phytophthora dieback, een door een geïntroduceerde plantpathogeen veroorzaakte aantasting. Onderzoekers van Murdoch University zagen in vijf zwaar besmette natuurreservaten in de Shire of Mundaring, ten oosten van Perth, 33 procent minder graafactiviteit dan in gezonde bosdelen. De studie, gepubliceerd in Austral Ecology, wijst vooral op het verlies van struiken en grasbomen die quenda’s dekking bieden.
- De onderzoekers volgden gedurende een jaar vijf zwaar aangetaste natuurreservaten.
- Besmette gebieden hadden 46 procent minder lage struikbedekking en 45 procent minder bewoonbare grasbomen.
- De graafactiviteit van quenda’s lag in aangetaste bosdelen 33 procent lager.
- Het bewijs voor een afname van voedselbronnen was niet overtuigend.
Aangetaste bosdelen bieden minder beschutting
Het team vergeleek gezonde stukken bos met zones waar Phytophthora dieback zwaar had toegeslagen. Daarbij brachten de onderzoekers de bedekking door struiken, de hoeveelheid kale grond en het aantal grasbomen in kaart. De foerageeractiviteit van quenda’s werd afgeleid uit het aantal kuiltjes dat de dieren tijdens het zoeken naar voedsel achterlieten.
In de aangetaste gebieden was niet alleen minder lage begroeiing aanwezig. Het aantal grasbomen dat als leef- of schuilplek kon dienen, lag er 45 procent lager, terwijl 40 procent meer kale grond werd gemeten. Grasbomen bieden met de dode bladeren rond hun stam beschutting en nestgelegenheid aan inheemse dieren.
De vergelijking suggereert dat quenda’s aangetaste bosdelen minder intensief gebruiken omdat ze daar minder bescherming vinden.
Hoofdauteur Tom Mansfield stelt dat quenda’s en verwante bandicootsoorten de voorkeur geven aan dicht begroeide leefgebieden. Zulke vegetatie kan bescherming tegen roofdieren en ruimte voor nesten bieden. De dieren kwamen volgens het onderzoek nog wel in besmette zones om te graven, mogelijk met behulp van overgebleven grasbomen en struiken.
Voedseltekort biedt geen duidelijke verklaring
De onderzoekers vonden geen overtuigend bewijs dat er in de getroffen gebieden minder voedsel beschikbaar was. De resultaten voor truffelachtige schimmels waren niet eenduidig. Ook de bedekking door grasachtige planten en kruiden, die bollen en knollen kunnen vormen die quenda’s eten, bleek niet aangetast.
Daarmee ondersteunt de studie de verklaring dat verminderde beschutting belangrijker kan zijn dan voedselgebrek. Het gaat om een veldvergelijking: die laat een verband zien tussen aantasting, veranderde vegetatie en minder graafkuilen, maar bewijst niet rechtstreeks dat blootstelling aan roofdieren de oorzaak is. De onderzoekers formuleren dat mechanisme daarom als een waarschijnlijke verklaring.
Minder graafwerk kan doorwerken in het bosecosysteem
Quenda’s gelden als ecosysteemingenieurs: dieren die door hun gedrag hun leefomgeving mede vormgeven. Tijdens het graven keren ze grond om, helpen ze water de bodem in te trekken, begraven ze zaden en verspreiden ze nuttige schimmels. Volgens Mansfield behoren ze tot de weinige overgebleven gravende zoogdieren die deze functies in het zuidwesten van West-Australië nog vervullen.
Dit betekent dat minder graafactiviteit niet alleen de quenda raakt, maar ook natuurlijke bodemprocessen in het bos kan verminderen.
De uitkomsten geven volgens de onderzoekers richting aan herstelmaatregelen. Zij noemen het terugbrengen van dichte ondergroei en grasbomen, het beschermen van overlevende grasbomen en het tegengaan van verdere verspreiding van de ziekte. Ook het selecteren van resistente planten en het onderzoeken van kunstmatige schuilplaatsen kunnen aangetaste gebieden geschikter maken.
Dat quenda’s nog altijd besmette zones binnengaan, biedt daarbij een aanknopingspunt. Als herstel meer veilige dekking oplevert, zouden de dieren zulke plekken mogelijk vaker kunnen gebruiken. Dat is een verwachte uitkomst van de onderzoekers, geen effect dat in deze studie al is vastgesteld.
Moet natuurherstel in aangetaste bossen vooral inzetten op ziektebestrijding of op het snel terugbrengen van schuilplaatsen voor dieren zoals de quenda?




























