Australië wordt voor het eerst geconfronteerd met de H5N1-variant die sinds 2020 grote sterfte onder wilde dieren in andere werelddelen heeft veroorzaakt. Overheidsrapporten bevestigen dat het vogelgriepvirus onder standvogels circuleert en inmiddels worden honderden dode vogels gemeld. Buitenlandse ervaringen wijzen erop dat een eerste besmettingsgolf doorgaans verreweg de zwaarste is, al verschilt de sterfte sterk per soort. Voor kwetsbare Australische vogels en zoogdieren blijft het risico daardoor groot: sommige populaties kunnen een aanzienlijk deel van hun totale omvang verliezen en vervolgens tientallen jaren nodig hebben om te herstellen.
- De H5N1-variant circuleert volgens overheidsrapporten onder Australische standvogels.
- In Australië worden inmiddels honderden dode vogels gemeld.
- Officiële ramingen plaatsen circa 20 procent van de vogelpopulaties in de categorie hoog tot extreem risico.
- Australië vaccineert, net als Nieuw-Zeeland, dieren in gevangenschap en nauw beheerde populaties.
De nieuwe virusvariant verspreidde zich vanaf 2020 wereldwijd
De aanloop naar de Australische uitbraak begon buiten het continent. In 1996 verscheen in pluimvee in China een nieuwe hoogpathogene vogelgriepstam. Uitbraken leidden daar tot het ruimen van pluimvee en soms tot sterfte onder wilde vogels.
In 2020 werd de variant H5N1 clade 2.3.4.4b vastgesteld. Vanaf eind 2021 verspreidde die zich op grote schaal door Europa en Noord-Amerika. Het virus kon zich niet alleen in het maag-darmkanaal en de luchtwegen vermenigvuldigen, maar ook het centrale zenuwstelsel aantasten. Dat kan neurologische ziekte en sterfte veroorzaken.
Sinds 2021 zijn meerdere nieuwe varianten ontstaan. Besmettingen zijn inmiddels vastgesteld bij meer dan 500 wilde vogelsoorten; bij ruim de helft daarvan waren eerder geen infecties geregistreerd. Ook zoogdieren raakten besmet, waaronder vossen, herten, zeeleeuwen en runderen. Infecties bij mensen blijven volgens de bron zeldzaam en overdracht tussen mensen is niet gemeld.
In zwaar getroffen soorten in West-Europa en Noord-Amerika stierf 25 tot 76 procent van de volwassen broedvogels. Sommige populaties zagen hun voortplanting vrijwel volledig mislukken. Nadat het virus in 2023 Zuid-Amerika bereikte, verloren bepaalde vogelsoorten tot de helft van hun wereldwijde populatie. In één Argentijnse kolonie stierven 17.000 zeeolifanten.
Na jaren zonder deze variant begint de Australische golf
Australië en Nieuw-Zeeland bleven aanvankelijk gevrijwaard, ook toen in 2024 en 2025 vogels en zoogdieren in Antarctica ziek werden. Die situatie is voor Australië nu veranderd.
Officiële schattingen wijzen uit dat ongeveer 20 procent van de Australische vogelpopulaties en 10 procent van de zoogdierpopulaties een hoog tot extreem risico loopt op gevolgen voor de populatie.
Dat risico is niet voor iedere soort gelijk. De uiteindelijke schade hangt af van blootstelling aan het virus, het vermogen om besmetting af te weren en de mate waarin dieren een infectie kunnen doorstaan. Australische soorten zijn bovendien niet zonder meer te vergelijken met dieren elders. Zwarte zwanen missen bijvoorbeeld belangrijke afweermechanismen tegen influenza.
Ook leefwijze speelt mee. In het buitenland werden zeevogels in grote, dichtbezette broedkolonies zwaar getroffen, terwijl naburige soorten die in holen nestelen veel minder sterfte kenden. Dat kan enige bescherming bieden aan Australische dwergpinguïns die eveneens in holen broeden, maar garandeert niet dat zij buiten gevaar zijn.
Vaccinatie en bewaking vormen de volgende verdedigingslinie
De ervaringen in Europa laten zien wat na de eerste golf kan gebeuren. Onder volwassen grote sterns in West-Europa daalde de sterfte in 2023 met 96 procent ten opzichte van 2022. Overlevende dieren hadden enige weerstand opgebouwd, terwijl jongere vogels beschikbare broedplaatsen konden innemen. Toch wordt verwacht dat herstel tot het niveau van vóór de uitbraak bijna twintig jaar duurt.
Dit betekent dat een zware eerste sterftegolf niet automatisch elk jaar terugkeert, maar evenmin dat bedreigde populaties zich snel herstellen.
Australische deskundigen hadden vóór de komst van deze H5N1-variant risico’s voor vogel- en zoogdiersoorten beoordeeld, plannen voor belangrijke locaties opgesteld en de bewaking en diagnostiek uitgebreid. Australië volgt inmiddels Nieuw-Zeeland met vaccinatie van dieren in gevangenschap en nauw beheerde populaties. De autoriteiten werken daarnaast aan de vaccinatie van duizenden dwergpinguïns.
Voor het natuurbeheer betekent dit dat vaccinatie slechts een deel van de aanpak is. Goede voeding, geschikt leefgebied en minder blootstelling aan vervuiling of stress kunnen dieren beter in staat stellen een infectie te doorstaan. Het terugdringen van habitatverlies, plasticvervuiling en invasieve soorten kan de gevolgen van H5N1 daarom mogelijk beperken, zonder dat daarmee de verspreiding van het virus zelf wordt gestopt.




























