Het aantal fastfoodzaken in Nederland is sinds 2007 bijna verdubbeld, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Nederland telt er volgens de nieuwste cijfers 19.400, tegenover 10.300 in 2007. Het CBS rekent niet alleen bekende ketens en cafetaria’s tot deze categorie, maar ook onder meer broodjeszaken, eetkramen en ijssalons. Tegelijkertijd nam het aantal reguliere restaurants toe van 11.100 tot 19.200. Daarmee zijn er nu iets meer fastfoodzaken dan restaurants; tot 2019 lagen de verhoudingen nog andersom.
- Nederland telt 19.400 fastfoodzaken en 19.200 reguliere restaurants.
- In 2007 waren er 10.300 fastfoodzaken en 11.100 restaurants.
- Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht huisvesten samen bijna 20 procent van alle fastfoodzaken.
- Landelijk zijn er gemiddeld 1,1 fastfoodzaken per 1.000 inwoners.
Van de in totaal 38.600 eetgelegenheden in Nederland bestaat inmiddels iets meer dan de helft uit fastfoodzaken.
Grote steden herbergen bijna een vijfde van het aanbod
De vestigingen zijn niet gelijkmatig over Nederland verdeeld. In de vier grote steden staat samen bijna 20 procent van alle fastfoodzaken. Amsterdam telt er 1.605, Rotterdam 975, Den Haag 790 en Utrecht 445.
Ook kustplaatsen, de Waddeneilanden en andere toeristische gebieden hebben naar verhouding veel van zulke zaken. Vlieland voert de lijst aan met 8,3 fastfoodzaken per 1.000 inwoners. Daarna volgen Ameland met 4,3, Schiermonnikoog met 4,1 en Terschelling met 3,1.
Voor toeristische gemeenten betekent dit dat een vergelijking per inwoner niet uitsluitend iets zegt over het dagelijkse aanbod voor de lokale bevolking. Eetgelegenheden bedienen daar immers ook bezoekers, terwijl de verhouding wordt berekend aan de hand van het aantal inwoners.
In het oosten en noordoosten ligt het aantal fastfoodzaken per 1.000 inwoners veelal onder het landelijke gemiddelde van 1,1. Staphorst heeft met 0,3 per 1.000 inwoners de laagste verhouding.
Meer bestedingsruimte verandert het eetlandschap
CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen brengt de toename in verband met een veranderd uitgavenpatroon. Nederlanders hebben volgens hem meer te besteden en gaan daardoor vaker buiten de deur eten of halen een broodje of ijsje.
De cijfers laten vooral zien dat laagdrempelige en snelle eetconcepten een groter deel van het Nederlandse horecalandschap zijn gaan innemen.
De term fastfood is daarbij breder dan hamburgers, friet en pizza. Ook saladebars en pokébowlzaken kunnen binnen deze markt vallen. Dat maakt de telling geen rechtstreeks oordeel over de voedingswaarde van iedere zaak of ieder gerecht: het CBS telt vestigingen op basis van het type onderneming, niet hoeveel klanten er eten of hoe gezond afzonderlijke menu’s zijn.
Groei wakkert discussie over gezond aanbod aan
Een deel van het aanbod valt volgens berichtgeving over de cijfers buiten de Schijf van Vijf, de Nederlandse richtlijn voor een gezond voedingspatroon. Hoogleraar Esther Aarts pleit daarom voor een benadering van ongezond eten die vergelijkbaar is met de aanpak van roken en alcohol.
De sterke groei van het aantal verkooppunten kan die discussie relevanter maken, omdat beschikbaarheid mede bepaalt welke keuzes consumenten onderweg tegenkomen. Uit de CBS-telling zelf kan echter niet worden afgeleid of Nederlanders ook meer fastfood eten, welke gerechten zij kiezen of wat de gevolgen voor hun gezondheid zijn.
Moeten gemeenten meer sturen op het voedselaanbod, of hoort de keuze voor nieuwe fastfoodzaken vooral bij ondernemers en consumenten? Deel uw mening.




























